Vriendschap is van alle tijden, andere ongemakken ook.

| Aluin

Het is 15 maart. Ik moet natuurlijk bij Julius Caesar uitkomen die op deze dag (de Idus van maart) vermoord is. Maar “Moord is van alle tijden” is wel een erg infantiele kop. Een thema dat mijn verbeelding meer prikkelt is dat van de zojuist begonnen boekenweek: “Vriendschap en andere ongemakken”. In het klassieke repertoire kun je veel inspirerende vriendschappen vinden: Hamlet en Horatio, bijvoorbeeld (overigens geen spoor van ongemakken), Orestes en Pylades (idem, wellicht doordat Pylades een zwijgende rol heeft) of Coriolanus en Menenius (beginnen als vrienden maar eindigen in ongemak):

CORIOLANUS. –
(tegen Menenius) Onze vriendschap
is verwoest door ondank en mijn hart kan
niet meer tonen, hoe groot zij is geweest,
door dat in deernis uit te drukken. Te laat.
Mijn oren zijn nog beter tegen uw
gesmeek bestand dan Rome’s poorten tegen
mijn bestorming. Nee, geen woord. Ga weg.
(Menenius af)
Die man was ooit mijn beste vriend in Rome.
Maar u ziet het…

AUFIDIUS. –
U laat zich niet vermurwen.

Een andere vriendschap die in ongemak dreigt te eindigen komt uit (jawel, daar zijn we al) Julius Caesar van Shakespeare. De meeste senatoren in Rome zijn republikein en vrezen Caesar’s groeiende macht. Cassius heeft zijn vriend Brutus (die veel aanzien geniet) nodig om een plan te smeden. Brutus is verscheurd. Hij is overtuigd republikein, maar ook een vertrouweling van Caesar.

CASSIUS
Brutus, mijn vriend
Ik hou je al een tijdje in de gaten
waar is de vriendschap tussen ons gebleven
‘t gevoel van liefde dat er vroeger was
Formeel en koud behandel je de vriend
Die van je houdt

BRUTUS
Mijn Cassius, vergis
Je niet. Als ik mijn blik verduisterd heb
betreft de ergernis van mijn gezicht
alleen mezelf. Ik word de laatste tijd
gekweld door tegenstrijdige gevoelens
Gedachten die ik liever voor me houd
Maar die misschien mijn houding wat besmetten.
Laat dit mijn goede vrienden niet bedroeven
Waartoe jij, Cassius, behoren moet -,
Zoek in mijn onbereikbaarheid niets meer
dan dat ik met mezelf in onmin levend
vergeet aan andren vriendschap te betonen

CASSIUS 
Dan heb ik me vergist in je gevoelens.
Ten onrechte verzweeg ik dan wat ik
je voor belangrijks wilde toevertrouwen.

Zo begint de samenzwering tegen Caesar, uitmondend in de moord door Brutus, Cassius en andere senatoren. Na de moord ontstaan de eerste barstjes in de vriendschap als Brutus besluit een goede vriend van Caesar, Marcus Antonius, een gunst te verlenen:

CASSIUS
Brutus, een woord met je.
Je weet niet wat je doet; laat toch niet toe
Dat hij een toespraak houdt op de begrafenis.
Je weet niet hoe het volk wordt meegesleept
Door wat hij zeggen zal!

BRUTUS        
Cassius, geen zorg:
Eerst klim ik zelf op ‘t spreekgestoelte en zet
De redenen uiteen van Caesar’s dood;
Verklaar dat, wat Antonius zeggen zal,
Hij ‘t zegt met ons verlof en medeweten;
En dat wij Caesar wensen te begraven
Met ieder eerbetoon, naar oud gebruik.
Dat levert ons beslist meer winst dan schade.

CASSIUS
Wie weet wat er gebeurt. ‘t Bevalt me niet.
 
Cassius heeft gelijk. Het blijkt een grote inschattingsfout. Marcus Antonius weet het volk tegen de daders op te zwepen. Nu moeten ze vluchten. De vriendschap komt nu echt onder druk te staan. Brutus heeft een boodschapper naar het tentenkamp van Cassius gestuurd om hem te ontbieden.
 
BRUTUS
Vertel mij eens, hoe heeft hij je ontvangen?

LUCILIUS
Uiterst beleefd en met veel eerbetoon,
Maar niet echt zo spontaan en hartelijk
Als hij het vroeger deed.

BRUTUS            
Juist, je beschrijft
een warme vriendschap die bekoelt. Merk op,
Lucilius, als liefde kwijnt en sterft,
Dan wordt wat ooit spontaan was geforceerd
Oprechte trouw kent geen plichtmatigheid.
Maar ja, zo gaat dat, soms.
 
Even later komt Cassius de tent van Brutus binnenstormen:
 
CASSIUS
O broer, je hebt mij onrecht aangedaan.

BRUTUS
Zelfs vijanden behandel ik rechtvaardig!
Hoe kan ik dan een broeder onrecht doen !

CASSIUS
Die nuchterheid van jou verhult het onrecht
Brutus, en als je ‘t doet….

BRUTUS                    
Cassius, blijf kalm;
Geen ruzie voor het oog van beide legers
Die niets dan vriendschap van ons mogen zien.
Kom in mijn tent en laat hen afmarcheren.
 
Binnen in de tent loopt de irritatie enorm hoog op, zoals vaker bij vrienden gebeurt.
 
CASSIUS
Tart mij niet meer of ik vergeet mezelf;
Denk om je leven, drijf mij niet te ver.

BRUTUS
Loop heen, Klein mens.

CASSIUS                     
Hoor ik dat goed?

BRUTUS                                    
Luister!
Jouw woede laat mij koud. Vergis je niet.
Denk niet dat ik zal buigen voor een gek

CASSIUS
O goden, goden, moet ik zoiets dulden?

BRUTUS
Zoiets ? Nog meer ! Schreeuw tot je trots hart breekt!
 
Gedurende de ruzie blijkt dat Cassius van een vriend verwacht dat hij milder in zijn kritiek is en Brutus van een vriend juist nog meer verwacht dan van een collega. Omdat ze nooit samen hebben gewerkt komt dit verschil nu pas aan het licht.
 
CASSIUS
Brutus verscheurt mijn hart.
Een vriend verdraagt een zwakheid van zijn vriend,
Maar jij maakt die van mij alleen maar groter

BRUTUS
Dat doe ik pas, als jij mij daarmee kwelt.

CASSIUS
Je houdt niet meer van mij.

BRUTUS                             
Niet van je fouten.

CASSIUS
Een vriendenoog zag zulke fouten niet.

BRUTUS
Een vleiersoog niet, nee, al waren ze
zo groot als de Olympus.

CASSIUS                     
(-) Ach
Hier, neem mijn dolk, hier is mijn naakte borst
daarachter zit een hart meer waard dan goud
Als je een Romein bent, snijd het er dan uit.

BRUTUS              
(-) Steek weg die dolk.
Wees woedend als je wilt, het staat je vrij,
Doe wat je wilt: ik zie het als een gril.
 
Uiteindelijk beseft Brutus dast Cassius werkelijk een vriend is en bindt hij in. En zo hoog als het conflict tussen vrienden op kan lopen, zo warm is de verzoening.
 
CASSIUS       
Heb ik geleefd opdat mijn Brutus zich
vermaken kan, mij uitlacht als verdriet
en kokend bloed mij kwelt

BRUTUS               
Ook mijn bloed kookte
toen ik sprak.

CASSIUS       
Dat geef je toe? Geef me je hand.

BRUTUS
En ook mijn hart. (omhelst hem)

CASSIUS                      
O Brutus.

BRUTUS                                     
(-) Lucius,
een beker wijn.

CASSIUS
Brutus, Mijn god, wat kan
jij kwaad worden!

De woede is bekoelt. De strijd tegen Marcus Antonius lijklt verloren maar de vriendschap is herstelt. In het vervolg zullen beide heren de hand aan zichzelf slaan als de legers van de vijand hen insluiten.

Vriendschap is een prachtig element. Zeker bij Shakespeare, die de psychologie van vrienden heel mooi bloot kan leggen. In het algemeen lijkt hij te zeggen: “Vriendschap is mooi, maar ga nooit samenwerken. Zogauw er zwaar weer op komst is blijken de meeste vriendschappen hier niet tegen bestand.”

Maar Shakespeare is natuurlijk ook gebaat bij drama en conflict. Twee collega’s die het niet met elkaar eens zijn hebben de lat natuurlijk veel minder hoog gelegd en zullen dus ook minder ontgoocheld zijn als een van hen er een andere aanpak op nahoudt. Het einde van de samenwerking van collega’s is motregen vergeleken bij het noodweer dat het einde van de samenwerking van vrienden begeleidt. Dat einde betekent meestal ook de doodsteek voor de vriendschap.

Ook gij, Brutus?

©Erik Snel, Utrecht, 2012