Spindoctors zijn van alle tijden

| Aluin

Job Cohen krijgt Jacques Monasch als spindoctor nadat voorzitter Lilian Ploumen zich ook al bemoeid had met de oppositiestijl van Cohen.

In de tragedie Coriolanus (William Shakespeare schreef dit werkje in 1609) krijgt de trotse en driftige titelheld les van zijn moeder nadat hij het verknald heeft bij het volk. Als hij de macht wil krijgen moet hij het anders aanpakken dan zijn intuïtie hem ingeeft in de prille democratie die Rome is.

De volgende scène is nog steeds verbluffend actueel. Ik heb zoals je ziet de namen aangepast. De tekst is op een paar kleine dingen na onveranderd. Niet onbelangrijk: Waar mild staat, stond grof en waar grof staat, stond mild.

 

COHEN. –                    

Laat ze van alles in mijn oren schreeuwen

mij radbraken, aan paardenhoeven binden

of de Tarpese rots tien keer verhogen

zodat de bodem van de afgrond niet

meer zichtbaar is, ik zal mijn houding niet

veranderen.  – Ik heb

de indruk dat mijn partij mij hier niet

in steunt, zij die hen altijd slappe schooiers

noemt, wezens die alleen hun stuivers kunnen

tellen…

Had ik mijn aard moeten ontkennen. Liever

heb ik dat u zegt: Blijf wie je bent.

 

PLOUMEN

Je had je macht nog niet ontvangen voor

je haar alweer verspeeld had.

 

COHEN. –

Wat zou dat.

 

PLOUMEN. –

Je zou genoeg de man zijn die je bent,

wanneer je dat niet zo bezeten ambieerde.

Als jij je aard verhuld had, zouden ze

je nooit gedwarsboomd kunnen hebben, totdat

hen de macht ontnomen was.

 

COHEN. –

Laat ze hangen

 

PLOUMEN. –

En laat ze branden ook.

 

MONASCH. –

Je was wat mild,

ietwat mild, ga terug en maak het goed.

Er is geen uitweg anders. Weiger je

dan scheurt het land in tweeën en bezwijkt.

 

PLOUMEN. –

Toe, luister naar die goede raad. Van inborst

ben ik net zo rationeel als jij, maar

mijn gevoel negeert mijn rust wanneer het

ertoe doet.

 

MONASCH. –

Mooi gezegd, verheven dame.

Ik zou nog liever in mijn harnas stappen,

als ik dat nog dragen kon, dan dat ik

hem zag buigen voor het volk. Maar dat is

nu helaas een wettig ritueel.

 

COHEN. –

Wat moet ik doen?

 

MONASCH. –

Keer terug naar ’t spreekgestoelte.

 

COHEN. –

En dan?

 

MONASCH. –

Neem terug wat je gezegd hebt.

 

COHEN. –

Ik zou dat zelfs de goden weigeren

Moet ik het dan voor hen wel doen?

 

PLOUMEN. –

Jij bent

Te trots. Dat siert je doorgaans, maar niet nu.

Ooit heb ik jou horen beweren, dat

oorlog eer en politiek bijeenbrengt.

Vertel mij dan waarom dat niet in vredes-

tijd zou kunnen.

 

COHEN. –

Ja, ja, ja…

 

MONASCH. –

Goede vraag!

 

PLOUMEN. –

Als het in oorlogstijd zo eervol is

je aard niet prijs te geven en je sluwheid

aan te wenden voor de goede zaak. Hoe

kan het dan in vredestijd verkeerd zijn

om eer en sluwheid te verbinden aan

elkaar?

 

COHEN. –

Waarom benadrukt u dat zo?

 

PLOUMEN. –

Omdat het nu je plicht is tot het volk

te spreken. Niet naar eigen oordeel, niet

naar wat je hart je ingeeft, maar met woorden

die van buiten zijn geleerd en die niets

met jou te maken hebben. Holle klanken

zonder waarde. En toch is dit niet minder

eervol dan een stad met mooie woorden

in te nemen, waar je anders met

je bloed en je geluk voor moet betalen.

Als ik daarmee het leven van mijn vrienden

of mijzelf kon redden, Waarom niet? Het

gaat om mij, de partij, het land, het volk, ,

de macht…

 

MONASCH. –

Ware woorden! Kom, ga mee en zeg iets rottigs.

Dan red je niet alleen wat nu bedreigd wordt,

maar ook wat al verloren lijkt.

 

PLOUMEN. –

Mijn Job,

Ga naar hen toe, ontbloot je hoofd en geef

het volk het schouwspel waar het naar verlangt.

En laat daarna je knie de stenen kussen.

Want het gebaar spreekt beter dan het woord,

omdat het domme volk nou eenmaal niet

goed luistert. Vervolgens buig je nederig

je hoofd een aantal malen, om je trotse

hart te straffen. Dieper dan een rijpe vrucht

die valt als men haar aanraakt. Als je spreekt

zeg dan dat jij hun vader bent, die groot-

gebracht is met manieren en daarom minder

opgewonden optreedt dan zij, zeer terecht,

– dat geef je toe – verwachten van een man,

waaraan zij hun vertrouwen moeten geven.

Maar voortaan zul je, en dat zweer je plechtig,

je gedragen zoals zij dat wensen voor

zover dat in je aard en je vermogen

ligt.

 

MONASCH. –

Als je dat zo doet, zoals zij zegt,

heb jij hun harten zo teruggewonnen.

Want op verzoek vergeven en verguizen

zij met even groot gemak.

 

PLOUMEN. –

Mijn Job, beloof me dat te doen, en ga!

 

COHEN. –

Moet ik dan echt voor hen mijn hoofd ontbloten?

Moet ik mijn hart met leugens martelen?

Goed dan, ik zal het doen. Maar als ik met

geen ander dan mijzelf te maken had

dan mochten zij mijn lijf verpulveren

en in de wind verstrooien. Goed, we gaan.

Maar ‘k zeg u wel: U dwingt mij in een rol

die ik niet waar kan maken.

 

MONASCH. –

Wij helpen wel

 

COHEN. –

Weg met mijn karakter.

Ik zal mij dan maar als een hoer gedragen.

Dus, groet mijn vrouw. En kom ik niet als premier

thuis dan zal ik met verloochening nooit

iets bereiken.

PLOUMEN. –

Job, doe wat je moet doen.

 

MONASCH. –

Nu kom, ze wachten al. Bewapen je

met grofheid, want zij staan klaar met zwaardere

beschuldigingen dan je denkt.

COHEN. –

Goed, Grof!

Grof is dus het motto. Grof, We gaan. Grof.

Ze mogen met de grootste leugens komen,

ik zal een stevig antwoord geven.

 

MONASCH. –

Ja,

maar grof!

 

COHEN. –

Ja, grof! net wat je zegt. Grof zal het zijn.

 

 

©Erik Snel, Utrecht, 15 maart 2012