Koude botten zijn van alle tijden.

| Aluin

Nu de herfst ingetreden is warmen we onze botten bij de centrale verwarming en lezen bij een goed glas wijn/een kopje tuttige thee/een mieterse malt het werk van William Shakespeare (onwaarschijnlijk) of de krant (nog onwaarschijnlijker). In die krant vinden we dan een bericht over de botten van Richard III, de duivelse, mismaakte tiran uit het gelijknamige stuk van Shakespeare. Zijn koude, oude botten zijn namelijk gevonden. Althans , dat denken een paar archeologen.

 

Cold Cases zijn ook van alle tijden dus gaan wetenschappers en forensische teams los op het merg van Richard. Het stoffelijk overschot heeft een scorleose, een draaïing in de ruggegraat, een ingeslagen schedel en een bijl in zijn rug. Daarmee moet het haast wel van Richard III zijn. Zo was hij en zo is hij, “Mijn koninkrijk voor een paard!” roepende, aan zijn einde gekomen. En ook dat klopt; in het graf ontbreken de botten van een paard. Nu nog het DNA vergelijken met dat van een familielid van de achttiende generatie en het bewijs is rond. Dat zou worden toegejuichd door de vereniging Richard III – ja, die bestaat echt!-, die zich ernstig bezig houdt met alles wat er over deze koning bekend is.

 

Overigens beweert de vereniging dat Richard III helemaal niet zo slecht was als wij na het toneelstuk van Shakespeare altijd gedacht hebben. Ze willen graag een rehabilitatie van de mankepoot. Krijgen we dat weer. Het viel allemaal wel mee, en hij had een rotjeugd gehad en leed aan een verstoorde moeder-zoon-verhouding en hij werd door die kromme rug nooit gekozen bij gym. Dat soort smoezen. Jammer. Daarmee verliest hij zijn bijzonderheid. Een best wel gewoon niet zo heel erg goede koning. Laat die arme botten dan ook maar in dat koude graf liggen.

 

©Erik Snel, Utrecht, 27 september 2012