Een pact met de duivel is van alle tijden

| Aluin

In 1806 verschijnt Faust van Goethe. Een inmiddels wereldberoemd toneelstuk waarin Goethe het bekende thema vormgeeft van de wetenschapper die een pact sluit met de Duivel.

Faust, die we voor de actualiteit even Rutte noemen is gefrustreerd over zijn leven en zijn carrière. Omdat hij via de gewone wegen zijn ambities niet kan verwezenlijken kiest hij voor de magie.

Rutte

Hier sta ik nu, ik arme dwaas,

niets wijzer dan ‘k al was, helaas.

‘k Ben doctor, ben professor bovendien,

en houd nu al zo’n jaar of tien

bij hoog en laag, van vroeg tot laat

al mijn studenten aan de praat

beseffend niets te kunnen weten;

dat heeft zich in mijn hart gevreten.

(-) Mijn vreugde is gevlogen

geen kennis waar ik op kan bogen,

geen mens die ik iets heb te leren

of tot iets hogers kan bekeren.

Ook heb ik nergens geld of goed,

niemand die mij met eerbied groet.

Geen hond die zo zou willen leven!

Dat heeft mij tot de magie gedreven.

Wie weet, als ik naar geesten luister

komt eindelijk meer licht in ‘t duister.

 

Rutte zucht naar rijkdom, kennis, roem en lust en heeft hier alles voor over. Hij roept de geesten aan:

 

Rutte

Ik voel: jij zweeft hier rond,

bezworen geest!

Verschijn!

Ha! Hoe het in mij bonkt en kookt!

Ik kan weer voelen en hopen,

Mijn zinnen staan wijdopen,

Ik wil voor jouw verschijning alles geven!

Je moet! je moet! Al kost het ook mijn leven.

 

Dan verschijnt Wilders:

 

Wilders

Wie roept mij?

 

Rutte (zich afwendend)

Afgrijselijk gezicht!

 

Wilders

Jij die mij met geweld kwam wekken,

Mij aan mijn sfeer durft te onttrekken,

Wat is –

 

Rutte

Owee! Ik houd mijn ogen dicht

 

Wilders

Jij smeekt en roept en zuigt mij aan,

wilt mijn verschijning zien, mij horen spreken

Ik geef gehoor aan je bidden en smeken,

hier ben ik! – en jij dwergtitaan

kruipt weg! Waar is de ziel die riep,

de borst die trots een wereld schiep

in zelfbeheer? Die dacht in hoger sferen

met geesten als gelijken te verkeren?

Waar ben je, Rutte? Ik heb je stem gehoord.

Verschenen ben ik op je krachtig woord,

Jij die mijn adem alweer wilt ontlopen,

Hier sidderend onder de grond gekropen,

Een bange, spartelende worm.

 

Rutte

Jij vuurkolom, wat zou ik je ontwijken?

Ik ben het, Rutte, ik ben jouw gelijke.

 

Wilders

Doe normaal man.

Jij schoeit mij op je eigen leest:

Een maat te klein, Mij ken je niet!

 

Rutte

Te klein?

Te klein voor jou?

Ik, naar Gods evenbeeld gemaakt,

Te klein voor jou?

Doe zelf effe normaal man.

 

Enfin, we weten hoe het verder gaat. Rutte wil een keurige minister-president worden maar moet steeds zijn kwelgeest aan zijn zijde ervaren. Telkens moet er iemand van zijn clubje in het stof bijten vanwege Geert Mefistopheles Wilders. Schulz bijvoorbeeld, vanwege de 130 kilometer per uur, waarvan iedereen weet dat alleen de duivel zoiets kan verzinnen, Leers die niet mag zeggen dat migranten een verrijking zijn voor onze samenleving en dat – hoe is het in godsnaam mogelijk – dan weer terugneemt. Zijlstra die enfin…Niemand is zichzelf, niemand is gelukkig met het pact en gaandeweg komt Rutte steeds meer in de problemen. Hij ergert zich aan zijn Mefisto en vergeet dat hij zijn kabinet aan hem te danken heeft. Het loopt slecht af, zoals we weten en aan het eind verzucht Rutte:

 

Rutte

Ik word verscheurd vanbinnen bij het leed van deze ene,

jij grijnst doodgemoedereerd om het lot van duizenden.

 

Wilders

Gaan we stoer doen?

Je bent alweer aan het einde van je gezond verstand,

het plekje waar de heren over de rooie gaan.

Waarom vraag je ons als partner als je met ons geen zaken wenst te doen?

Willen vliegen met een duizelige kop?

Hé, dringen wij ons aan jou op of jij je aan ons?

 

Rutte

Blikker niet zo bloeddorstig met je blikkerende tanden!

Ik walg van je!

Grote, machtige Geest, jij, die je aan mij hebt geopenbaard

en die mij kent in hart en ziel,

waarom moest je mij aan deze schandelijke metgezel ketenen,

die zich verkneukelt wanneer iemand schade lijdt

en zich verlekkert aan zijn ondergang?

 

Rutte gaat ten onder aan zijn hoogmoed. Wilders lacht en zoekt alweer een ander slachtoffer dat met ziel te koop loopt.

 

De tekst is uit Faust, de Oerversie van Johann Wolfgang Goethe en de vertaling is van Ard Posthuma, uitgegeven door Atheneum – Polak & van Gennep in de Salamander Klassiek reeks.

 

©Erik Snel, Utrecht, 2011