Prins Pils is van alle tijden

| Aluin

Net als seizoenswisselingen, geboortes en begrafenissen zijn troonswisselingen van alle tijden. Toch leven we intens mee met de sprookjesfiguren van Oranje. En hoewel het koningshuis niet meer zo belangrijk en machtig is als vroeger zijn we reuze nieuwsgierig naar wat voor een vorst onze Willem Alexander zal worden.

Sommige mensen vragen zich af of hij wel genoeg inhoud heeft om succesvol koning en waardig opvolger te zijn van de altijd goed gedocumenteerde, politiek zeer geïnteresseerde, serieuze Beatrix. Prins Pils wordt toch vooral gezien als een vriendelijke laagvlieger. Een vooral in sport geïnteresseerde, blije corpsbal.

En toch kan men zich daarin vergissen. Macht maakt evenwichtige mensen dwaas maar maakt dwazen ook nogal eens evenwichtig. Willem Alexander heeft een goed voorbeeld: Prins Hall, uit Shakespeare’s Hendrik IV. Een lichtzinnige, onstuimige prins die zich ophoudt met zatlappen, hoeren en criminelen. Zijn vader – de titelfiguur koning Hendrik IV – houdt zijn hart vast en het hof kijkt ook niet echt uit naar de opvolging. Eigenlijk is er niemand die gelooft dat prins Hall een goede Hendrik V kan worden.

Maar de prins knipt zijn wilde haren af en breekt met zijn verleden. Hij ondergaat een metamorfose als hij de kroon op zijn hoofd zet, nadat zijn vader de laatste adem uitblaast:

“Neem dit van mij aan:

Wild is mijn vader in zijn graf gedaald,

Want in zijn groeve rusten thans mijn driften,

En in mij overleeft zijn hoge geest

Om de verwachting van deze aard te honen,

Profeten te beschamen, weg te vegen

De boze mening die mij schilderde

Zoals ik scheen. Tot nu toe rees in mij

De vloed van ‘t bloed in wilde onstuimigheid.

Nu zakt hij weer en vloeit naar zee terug,

Waar hij zich mengen zal in ‘t rijk der baren

En steeds in kalme majesteit zal golven.”

En hij maakt het waar. In Hendrik V, Shakespeare’s befaamde oorlogsstuk en vervolg op Hendrik IV toont prins Hall zich (als titelheld, koning Hendrik V) een dapper, kundig en charismatisch leider. Wanneer hij met zijn troepen in de befaamde Slag bij Agincourt tegen de Fransen duidelijk in ondertal is, verzucht zijn neef Westmorland:

“Hadden we hier

Maar één tienduizendtal van hen in England

Die heden werkloos zijn.”

Het verleidt Hendrik V tot een van de meest geciteerde toespraken in de Engelse geschiedenis (aanzwellende heroïsche muziek op de achtergrond helpt enorm):

“Nee, waarde neef; indien

De dood ons wacht, dan is ons tal voldoende

Om England te doen rouwen; als we leven,

Hoe kleiner tal, hoe groter ieders part

Der eer. In godsnaam! Wens niet één man meer.

Bij Jupiter, ‘k Ben niet belust op goud;

Ik vraag ook niet wie op mijn kosten leeft;

Het deert mij niet als men mijn kleren draagt;

Mijn hunkring streeft naar geen uitwendig goed.

Maar als het zondig is naar eer te dorsten,

Ben ik de grootste zondaar op de wereld.

Nee, werklijk, neef, wens niet één man uit England.

Bij God, ik wou niet zoveel eer verliezen

Als ‘t part van één man méér mij kan ontroven,

Niet om mijn mooiste hoop. O, wens er niet één meer!

Meld onze legerscharen, Westmorland,

Dat hij die nu geen zin heeft om te vechten

Vertrekken mag; laat hem een vrijbrief geven

En stop zijn reisgeld in zijn beurs; ik wil

Niet sterven in ‘t gezelschap van een man

Die de gemeenschap schuwt met onze dood.

Het is vandaag het feest van Sint-Crispijn. (herdenking christelijke martelaars,niet belangrijk voor het begrip van de scène)

Wie ‘t overleeft en veilig huiswaarts keert

Zal opspringen als hij die dag hoort noemen

En stralen bij de naam van Sint-Crispijn.

Wie deze dag aanschouwt en grijsaard wordt,

Zal ieder jaar op de avond voor Crispijnsdag

Zijn buren noden op een feest en zeggen:

‘’t Is morgen Sint-Crispijn!’ En dan stroopt hij

zijn mouw op, toont zijn littekens en zegt:

‘Op Sint-Crispijnsdag heb ik die gekregen.’

Een oude man vergeet; maar wanneer alles

Vergeten is, herinnert hij zich toch

Uitvoerig al zijn daden van die dag.

Zo worden onze namen, in zijn mond

Vertrouwde woorden als van elke dag,-

Hendrik de Koning, Bedford, Exeter,

Warwick en talbot, Salisbury en Gloster,-

Bij gulle bekers telkens weer herdacht.

De brave man zal het zijn zoon vertellen,

En van die dag tot aan het eind der tijden

Zal nimmermeer Crispijn voorbijgaan,

Zonder dat er van ons gesproken wordt;

Wij enk’len, wij gelukkigen, wij, broers!

Want wie vandaag met mij zijn bloed vergiet,

Hij wordt mijn broer, hoe laag zijn stand ook is,

Tot de adelstand verheft hem deze dag.

En edelen in England, nu in bed,

Vervloeken ‘t eens dat zij toen hier niet waren,

En voelen zich gering, als iemand spreekt

Die met ons vocht op ‘t feest van Sint-Crispijn.”

Onnodig om te zeggen dat de slag gewonnen werd. (kijk ook op Youtube naar de toespraak van Hendrik V in de verfilming gespeeld door Kenneth Branagh)

Kortom, geef Prins Pils het voordeel van de twijfel. Wanneer zijn naar schraal bier riekende colbert vervangen is door het koninklijke hermelijn, wanneer hij niet meer door zijn dominante moeder overschaduwd wordt zal hij een evenwichtig vorst zijn. En ooit zal hij aan de vooravond van een WK finale tot even grote retorische hoogte stijgen met een heroïsche speech voor onze jongens. En voor het eerst in de geschiedenis zullen we die beker winnen. Dankzij onze koning. Dankzij Prins Pils.

(De passages uit Hendrik IV (2e deel , 5e akte,  2e toneel ) en Hendrik V (4e Akte, 3e toneel) van William Shakespeare zijn vertaald door Willy Courteaux)